Gedicht bij de papklokmarathon

papklokmarathon

De loop van licht

Er dansen lampjes door de donkere straten
van de stad, als vuurvliegjes in een zomernacht,
dit kan geen oktober zijn, de zwoele avond,
het vrolijke van de terrassen opstijgende gegons.

Gefascineerd door de dwarrelende kleuren
– die van nabij de fosforescerende versierselen
van papklokrenners blijken te zijn – zie ik
voor het eerst silhouetten schijnschaduw geven.

De maan staat net in z’n laatste kwartier als
de klok de loop ten einde luidt, alle lichtjes zich
aan de meet op de markt nog even verenigen
en de betovering voor mijn ogen ten slotte dooft.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 11

Hoogwater dreigt

Als hij zijn naam zo terugziet in een krantenkop
schrikt hij op, had ik een ander hoofd gehad dan
had de lokale nieuwsjager mij nooit uitgedaagd,
dan had er denkelijk een ander leven ingezeten,
op een berg in de zon, hoog en droog, een weten
dat iemand weldra terug zal komen, het is immers
nog nooit later geworden en er is geen rivier die
buiten zijn oevers kan treden, er is geen heden.

De gazet valt uiteen als hij opstaat, Hoogwater
dreigt op de grond te vallen, maar krant en hand
houden het droog, ze klauwen in het tafelkleed
naar evenwicht en weer verschaft het hoogpolige
het hoognodige, Hoogwater valt terug in de stoel
aan de tafel bij het raam, in de lichtval blijft nu
ook het weekblad onmogelijk liggen, halfstoks
en ongestreken, alsof de dreiging effect sorteert.

Is dit een teken zo vraagt hij zich af, en zo ja,
hoe dit bijna-vallen te begrijpen, staat de dijk al
op springen, is het zwarte water nakende, zal ik
ten halve moeten keren en waar te beginnen als
alles één groot en dood vacuüm is, leegte, gemis,
afwezigheid die zich niet als een willoze polder
volstromen laat, hier helpt geen moedertje lief,
geen bemalen, hier helpt alleen de terugkeer van.

Op dit punt van denken beland en met de krant
nu ordentelijk opgevouwen ver van de tafelrand
zal Hoogwater, als altijd want iedere dag moet je
per slot van rekening vieren, met een langzame
beweging waarbij hij de vierkante fles gewoonte
getrouw onder zijn arm klemt, zichzelf maar ’ns
inschenken, oppassen dat het glaasje niet omvalt
in het heuvelige kleed – maar zo gaat het niet.

Hoogwater is wèl gevallen, het kleed, de krant
schuiven, tuimelen, dwarrelen, er verschijnen
bergen, het behang krult, het venster verdwijnt,
de kamer opent zich en hij heeft ineens het boek
in handen, hij slaat het open, op de pagina’s valt
een onwaarschijnlijk helder licht en Hoogwater
wordt door de woorden gegrepen, leest en leest
in wat al snel een doorsnee ik-roman blijkt te zijn.

Een passage die hoofdbrekens kost: Toen ik haar
naam eenmaal wist, besloot ik haar voor mezelf
anders te noemen, ze hield net als ik van de rivier,
en ik was verliefd op haar geworden op de wijze
waarop ik al van het water hield, als het fluïdum
dat mij omsluit, als een alomtegenwoordigheid –
terwijl hij verder valt, ervaart hij over wie dit gaat
zonder geheel te begrijpen wat er eigenlijk staat.

Als het uit is stopt het vallen, het glas is weer vol,
de krant heeft zich hervouwen als ongelezen, strak
plooit het tafelkleed om de onschuldige tafelrand,
een laatste baan licht wordt in de fles tot prisma
gebroken en de stilte is weergekeerd als Hoogwater
knerpend zijn stoel naar achteren schuift, opstaat,
zijn jas aantrekt, de kamer verlaat, buiten de dijk
opgaat, afdaalt en rustig het rivierwater inloopt.

Maar het is geen vallen, het is een groeien, dit is
uiteindelijk – de tegenstrijdigheid! – wat ik hoog
en droog placht te noemen, denkt hij blij verrast,
een openbaring, hij zweeft en de liefde omgeeft
hem nu van zijn stugge kop tot teen, vervult hem,
laat hem nooit meer los, maar vóór het weerzien
een aanvang neemt zijn laatste gedachte: de krant
zal morgen wel weer schrijven Hoogwater dreigt.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 10

Wingebied

Te nutteloos om te noemen, te schamel
om over te schrijven: de laatste appels
aan een dorre oktoberboom. Nee,

zegt de zwarte lyricus, een natuurbeeld
is mijn water en brood, is mijn poëzie
tot de herfst intreedt, de avond valt,

de dood kortom een wormstekige appel
vangt in zijn val, vals speelt en levens
spaart, hij de wormen laat winnen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 9

Verwaarloosde boomgaard

Kronkeltakken reiken onwennig naar de hemel,
de grond is een gistend moeras van appelmoes.
De boer heeft de voorjaarskruinen ongesnoeid –
de najaarsoogst ongemoeid gelaten. Is hij soms

weggegaan? Doodgegaan? Wie zal het zeggen.
Wie kent als geen de gerichtheid van groeikracht,
weet beter dat verspilling van leven geen hoger
maar een ander doel dient, dan de eenzame boer?

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 8

Hybris

Langer dan rechtop staan de stammen
in het gras, feller dan verwacht de zon.
Opgehoogde dijk, een rivier die buiten
zijn oevers treedt. Deze winterochtend
lijkt geen maat te kunnen houden.

Ook in zijn hoofd bonst de overmoed:
de wind is gaan liggen, de pont is niet
uit de vaart genomen, hij wandelt hier
weer met haar en bij terugkomst blijkt
de stad geen koopzondag te zijn.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 7

Ik lig hier

Ik lig hier maar
te wachten op wat komen gaat

een istmus zonder kop, de angel
die de stroom vertraagt

soms loopt een wandelaar
over mijn basalten ruggengraat

of klotst er een kadaver
dreinend tegen mij aan, ik ben

een bonenstaak, reikend
onder weergaloze onrustluchten

naar een watervlak bestaan
-zelfs ’s zomers een ijdele waan

als in mijn oksels stranden ontstaan
en ik de baders langszij

voel gaan, dan nog breek ik golf
na zwakste golf, dam ik

de deining in -maar ach
het mag geen naam hebben, want

komt die wervelende winternacht
dan breken de golven míj.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 6

Rivierdal

Sinds de stroom er af is geweest ben ik de rivier
beter gaan begrijpen, de droge bedding nog vers
in het geheugen, scherp de afwezigheid van ruis,
iemand zo te kunnen doorzien, jou bijvoorbeeld,

maar het golft weer, ongrijpbaar gestaag, ik zou
een duik willen nemen, de diepere bodem raken,
de in troebelheid getaande contouren herkennen,

dan opstijgen, oppervlaktespanning doorbreken,
weer horen hoe je ruist, herleven hoe je kronkelt
en door de wielingen en schietstromen tollen van
het winterbed waarin ik je opnieuw beminnen zal.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 1 reactie

Culemborgs stadsgedicht 5

Bloemetjesbehang

Ze had griep maar ontving mij in haar kamer, ze zei
dat de tuin er bij daglicht mooi bijlag, dat de muziek
soms stokte, dat dat niet erg was en dat ze van dans
hield, van de rivier waaraan onze stad lag en vooral
van bloemetjesbehang. Ik was verloren en verliefd,
dus wilde ik haar hof de eerste morgen bewonderen
en zag ik ons al door de uiterwaarden gaan, want ik
wilde gaan houden van alles waar zij al om gaf, van
de stiltes in het scherzo, van haar bloemetjesbehang.

Het was intussen een onmogelijk bezoek geworden,
we liepen langs de Lek, zij ziek als ze was, ik pakte
haar hand, zag nu de bloemen in het donker, hoorde
in mijn hoofd een ononderbroken gezang, dansend
gingen we door haar kamer, waarin ik wilde blijven,
voor altijd samen tegen het bloemetjesbehang, maar
de naald bleef hangen, het water steeg, de kale nacht
spiegelde in de ruit. Ik begreep dat ik moest gaan en
liep zonder al te veel overtuiging onze toekomst uit.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 4

Panta rhei

Het voorland bloost sinds de wilg werd geknot,
de slootschouw geeft troep en het valhek roest,

het koolzaad oogt geler, de poes heeft gebaard,
de appelboom bloeit, in het wiel duikt een fuut,

de bramenstruik woekert, de avondwind pluist,
loom wappert de was, op de dijk staat een fiets

en terwijl je dit leest stroomt de Lek naar de zee
langs het afzijn in de eerste lente na mijn dood.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 1 reactie

Culemborgs stadsgedicht 3

Zwaaikom

Weer op het veer.

Opvallend in de walmende uiterwaard,
aan de voet van de spoorbrug, uitziend
over de rivier op dit veel te vroege uur:

iemand die zwaait.

Misschien naar een lief aan de overzij,
naar vrienden aan boord, of misschien
alleen maar om zelf te worden gezien,

misschien door mij.

Omwaarachtiger te gaan leven,de kap
te kruien en naar de wind te gaan staan,
de geest te tonen deze dag te doorstaan:

hartsterkend zwaaien.

De pont doet prr-bok-bok-bok, er klinkt
een bel, een ratelende ketting, startende
motoren en alles zal worden als het was

weer terug aan wal.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 2

Veerpont

Vijf vrienden worden overgezet.

Onder een wolken bergmassief
staan luchtwortels in waterland.

Vreemd. De veerman heeft links
geen vingers maar een teen.

Zolang het droog blijft, grapt er
één, is er niets aan de hand.

Over de rivier gaan een veerman,
vijf vrienden en één passant.

Langzaam verandert de bergkam,
zwijgend grijnzen de knotwilgen.

Kalmpjes bereikt men de overkant.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 1

Aan de rivier waaraan ik woon

Je draagt de hemel en braaf het veer,
een langzame stroom maar sneller
dan de schapen – dan de wolken.

Je zult de zee nog wel eeuwen halen
al heet je verval ‘verwaarloosbaar’,
werd je bedijkt en gekanaliseerd.

Sterk als de spoorbrug, zegt men hier,
toch denk ik dat jouw lome deining
ooit onvergankelijker blijkt te zijn.

Het zij je wat mij betreft ook gegeven
eens dwars door die dijken te breken,
jezelf te verspreiden over het land.

Want al lijk je te zijn bedwongen, Lek,
brouw één nanacht één korte vloed
en je overwinnaars verliezen alles.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 1 reactie

3 maanden lang elke dag een Culemborgs Stadsgedicht

Vanaf 1 oktober ben ik officieel drie maanden lang de stadsdichter van Culemborg. Op zondagmiddag 7 oktober word ik geïnstalleerd met de onthulling van een nieuw muurgedicht van mijn hand. 16.00 uur aan de Varkensmarkt. Komt allen!

Tijdens mijn stadsdichterschap zal ik elke dag (vanaf 3 oktober) een gedicht met een Culemborgs randje op mijn site zetten. Vaak gaan die gedichten niet direct over Culemborg, maar vormt de stad, en met name de directe omgeving van de stad, het decor waartegen de handeling zich afspeelt. Dus drie maanden lang elke dag een Culemborgs Stadsgedicht, met uitzondering van de maandagen en de feestdagen.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Een nog levende vriendin

Na afloop van een voordracht kwam er een oudere lezeres op me af. Ze had van mijn poëzie chocola trachten te maken maar liep steeds tegen een onduidelijkheid op: “wie is toch telkens die ‘je’ waarover of aan wie u schrijft?”

Omdat ik de beroerdste niet ben gaf ik haar dit antwoord: “die ‘je’ is soms de lezer die ik graag mag aanspreken. Maar die ‘je’ kan ook staan voor een vriend, dood of levend, of voor de dode vader. Vaak ook is die ‘je’ een van de drie eeuwige liefdes: de verloren, de vergeefse of de vertrouwde. Meestal valt uit de context wel op te maken wie er wordt bedoeld. Is het zo een beetje duidelijker?”

“Ja,” zei ze, “ik geloof van wel, dank u wel. Nu ga ik met mijn gelukkig nog levende vriendin een glaasje wijn drinken.”

Geplaatst in Poëticaal | Een reactie plaatsen

Shine on you crazy diamond

Kapstok

Doordat R. die zin uitsprak, was ik weer
op een van die vage feesten: een kast
van een huis aan de rand van de stad, alle
deuren open, alle lichten aan, shine on
you crazy diamond met een tik in
remember when you were young, ouders
op vakantie, in het tapijt brokstukken
wokkels, beugelflesjes in een regenton.

Wat R. zei: “er zou ook een leuke zus
van iemand komen”, en ik zie haar weer
voor het eerst in een voortuin vol fietsen,
zo schuchter dat geen van mijn vrienden
haar opmerkt, alleen ik, de allesdoorziener,
de nu-aan-de-grond-genagelde die onder
een met parka’s bedolven kapstok z’n reis
richting het onbereikbare aanvaardt.

 

Geplaatst in Gedichten (in berichten) | Een reactie plaatsen