Culemborgs stadsgedicht 37

En zo geschiedde

Je kunt je handen invetten
door een schaap te aaien,
je ontfermen
over een regenworm.

Of je kunt aan de voet
van een witte abeel gaan zitten,
over de Lek uitkijken,
wachten tot er niets meer mis zal gaan.

Je kunt geen vragen willen nalaten,
naar een posthoornslak staren,
je kunt opbloeien, je kunt
verdrinken.

Je kunt zeggen
dat het licht dat je deed hechten
(je ziet iemand nog staan, in de volle zon)
de boosdoener van alles is.

Je kunt zoveel, maar
alleen twee onverstoorbare lepelaars
kunnen
je dag goedmaken.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 36

Zekerheden

Wat ik nu al met zekerheid kan zeggen: de wolken
zijn waar, de Lek in nazomerlicht heelt, een plooihals
of blauwborst kan de motor van verlangen worden,
ik bevat niets van mijn bestaan – ik weet alleen dat ik
moet griffen als een bezetene want alles is ongewis.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 1 reactie

Culemborgs stadsgedicht 35

Volksvertelkunst

Uiterwaard in juli, sprookjes in het echt:
de fabel van de roodbonte koe en de gele lis,
de mare over een onvermoeibare visdief,

de legende van de dichter die op een dag
een wilg zal worden en nu met grote slokken
van alle klaarte drinkt, want: er was eens.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Uitnodiging

Uitnodiging

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 34

In het dijkgras

De alzijdige symmetrie
van kroonbladeren,
het perfecte van
één enkele margriet.

De verdeling van ribben
in het vleugelvlies
van een vlieg, diens
concentrische facetogen.

De chronologie in
de ondergrond,
stilstaande klokken,
klei, silt, zand, oeverwal.

Kan de schepping
niet ook voor mij
een ordenend principe
in pacht hebben?

Bijvoorbeeld dat
als ik me zoiets afvraag,
dit niet gelijk
een dilemma wordt.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 1 reactie

Culemborgs stadsgedicht 33

Zomer

Het vaste rondje over de dijk:
zo’n wolkenlucht die je elke avond
voor het eerst ziet.

Ook zonder iets hogers
ligt ondoorgrondelijkheid
in ieder moment voor het oprapen.

De golven in de rivier,
de textuur van een akker,
het spectrum aan groenschakeringen.

Eindeloze variatie van hetzelfde,
alleen hiervoor
het eeuwige leven te bezitten.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 32

Diep in de uiterwaard

De hart onder de riem stekende fierheid
die van riet in de winter uitgaat: we zijn
niet dood, alle smientjes mogen gewoon
tussen onze stengels dóór waggelen, dát.

Iets triomfantelijks in het scherpe gegak
van in v-formatie overvliegende ganzen:
wíj weten waar we naartoe koersen, wij
bezitten wél een klaar innerlijk kompas.

Het ingesloten bevestigende van een bui:
vandaag val ik, maar morgen verdamp ik,
ik maak deel uit van die cyclus die groter
is dan ik; mijn gestaagheid mijn berusten.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 31

Regel

Op de dijk ontmoette ik de vogelaar,
heb je een regel voor me vroeg ik hem,
maar van poëzie had hij geen kaas gegeten.

In de weilanden achter de Achterweg
had hij wel een gezenderde gans gespot,
dat zijn de moderne middelen, hij straalde.

Tegenwoordig krijg je waarnemingen
ook op je mobiele telefoon vervolgde hij,
dan krijg ik dus een sms’je van m’n oehoe.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 30

Bermstuk

Beetje hellend grastalud, transformatorkastje,
kaal iel boompje gespalkt aan een paal,
stukje stoeprand, hoekje slootkant; zou je het
schilderen dan werd het non-figuratief.

Tien vierkante meter naast een ovonde,
onopgemerkt bestaand, verpletterend gewoon,
wat kan hier zijn gebeurd dat niemand
meer ziet – dat men er nu zomaar langs raast?

Wie heeft hier de knoop van zijn jas verloren,
het zeil gereefd, het voortouw genomen,
in vrieskou staan piesen onder het sterrendak,
enkel nog sirenen in zijn hoofd gehoord?

Mammoeten, muizen, slachthuisverkeer;
wat deze plek al niet zag – hád ze kunnen zien:
de vuigste minnelusten, stammentwisten
en alles tussen blikschade en bliksemschichten.

Waar ik sta is ingezaaid, omgespit, opgehoogd,
drooggemalen, overvaren, ondergelopen,
verlaten, bewoond, ingericht, ontdekt, ontstaan.
Als elk ander stukje aarde een massagraf.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 29

Nieuwe lente

Op een steigertje aan een landje langs de Linge
zit ik pootjebadend, beelden sprokkelend,
naar twee baltsende futen te kijken.

Ergens nabij wordt er gegierd, snatert een eend,
de zo-even afgemeerde eenpersoonskano
klotst zachtjes tegen de beschoeiing.

Duizendvoudig getwinkel in het wateroppervlak,
de lente prikt m’n huid, de wereld in vrede,
ooit was ik een fuut – nu nooit meer.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 28

Limietpaal

Heb je wel eens een fazant
van schrik horen wegvliegen?
Heel anders dan
bijvoorbeeld een meeuw.

Struinde je ooit in december
door een verlaten uiterwaard?
Onvergelijkbaar met
een lenteboomgaard in bloei.

Ken je het verkleumende
van sommige herinneringen?
En dat milde dat dan soms
van molshopen uitgaat?

Hier zit ik op een limietpaal
in laag laat licht aan de rivier,
wel en niet wachtend
op je komst.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 27

Opvlucht

Geen gisteren, geen morgen,
onafgebroken is dit nu,
zoals de lucht waarin ik leef
onontkoombaar hier is.

Hete julimiddag aan de Lek,
soezend aan het water,
lichtvlekken, vliegengegons,
grassprietjesgekriebel.

Ik ben weer kind, ik kan nog
zweven, ik wil opgaan:
kruinen, wolken, hemel, zon,
niets lijkt onbereikbaar.

Verre ijle dagdroomregionen
waarin je weer opstaat,
lachend op me af komt lopen,
je dood kalm negerend.

Een kerkklok slaat je passen,
vlierbloesem is je geur.
je ademt warme windzuchten,
een fluïde fysionomie.

Zo echt droomde ik je nooit,
waar was je al die tijd,
verschijn mij voortaan vaker
zo toverachtig dichtbij.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 26

Stiltegebieden

Om thuis te komen moeten we naar buiten gaan;
een zomeravond zitten op de zomerdijk,
ooievaarsnest, schoorstenen van de steenfabriek,
een fuut die kalm een v in het wiel grift:
vrede – op een steenworp afstand van de wereld.

Om kleuren te zien moeten we het wit inkijken;
in dichte mist met de slee van een duin,
dofgeel riet, hardrode konen, sepia vossenpoep,
de verstaanbaarheid van stiltegebieden:
elkaar ‘we bestaan’ zeggen zonder dit te zeggen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 25

We zeggen

We zeggen we moeten bijpraten (wat een ander woord
voor onze eerste levensbehoefte is) en dan struinen we
door de uiterwaard, eten kersen aan de Lek, maar falen
bij een poging de klaprozen in een boomgaard te tellen.

We zeggen we gaan opnieuw beginnen (onze codetaal
voor de verte indijken), geloven dat het nazomer blijft,
dat elzen het heden soms bladstiltes lang bewaren, dat
die haarlok nooit ophoudt door je gezicht te dwarrelen.

We zeggen we wachten de winter wel af (een uitvlucht,
maar ja, wat anders?) en we zwijgen want wie van ons
weet straks hoe oud de ander werd, kan terug in de tijd
zien hoe funest de voorjaarsvorst voor dit oogstfruit is?

We zeggen we gaan de waarheid zeggen (toverformule
waarmee we herfstgedachten uitbannen, winterbeelden
wegbonjouren) en vermijden nu het trotse hoge woord
want we… maar wacht m’n lief, zie, daar, een ijsvogel!

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 24

Zo eenvoudig is het

Kom, we gaan vandaag opnieuw het wiel uitvinden,
dus eerst maar bokkig vrede sluiten en dan opnieuw
die overbekende dijk affietsen, die wijdte inademen,
elkaar schuchter op het eerste speenkruid wijzen, in
stiltes blikken kruisen, in een wolk een kikvors zien
en bij de Beusichemse pont weer wachten op elkaar.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen