Culemborgs stadsgedicht 66

Rivierenlandkroniek 1

(Voortijd: het Korte Avontuur)

Aan de rand van het dorp
ligt een land met de naam
Korte Avontuur.

Wat valt hier te beleven?
Je kan op blote kakhielen
door nattig gras,

je bestudeert bijvoorbeeld
een koeienplak of je pluist
wat windzaden uit.

Er houdt zich een odyssee
schuil in alles waarvoor je
open weet te staan.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 65

Int jaer ons Heren
dusent driehondert Ende achtiene
up Sente Nycolaus dach

Na een heldere sterrennacht is er
een loodgrijze ochtend aangebroken,
bij Weithusen blaast de straffe oostenwind
de horigen bijkans van het kale land.

Twee tandeloze toeschouwers
slaan de schuimkoppen op de zwarte Lek
met spanning gade, eerder onheil is
een schrijnende herinnering.

Op de grote marktplaats van het dorp
is het intussen ook al woelig geworden,
kramen kraken, een zeildoek klappert,
kooplieden bekvechten om de beste plek.

Want bij een processie hoort ook handel,
niemand trouwens die al heeft bedacht
dat dit koude weer volmaakt bij de verering
van zeevaarders’ schutspatroon past.

Er is vis en vee en graan en boter,
vroege kopers monsteren en bekloppen,
kneden en ruiken zoals de ook aanwezige
kwakzalver z’n zieken en gekwelden keurt.

Damp walmt van een stel knechten
die in de harde aarde gaten staan te bikken
voor de wapenschilden van de hoge heren
die vanavond in de burcht bijeen gaan komen.

Steeds meer volk heeft zich intussen
op de markt vergaard, de dag is nog grijs maar
de wind is wat gaan luwen en voert nu
vanuit het slot een ijl en vroom gezang aan.

De omgang wordt door acht acolieten ingezet,
daarna komen er drie dorpskinderen die
gezamenlijk het kleine ijzeren anker torsen
waarmee de beschermheilige wordt vereerd.

Dan volgt de priester in prachtig paars habijt
en verschijnen er leken met luit en vedel,
tot slot van de stoet draagt een schildknaap
het vaandel van de heren van Bosinchem.

Als aan al het moois een einde is gekomen,
het volk in warme huizen is weergekeerd,
de kooplui hun restanten hebben opgedoekt,
zetten zes heren zich om een ronde tafel.

De ridderzaal is eindelijk warm geworden,
zie ze zitten in de gloed van het haardvuur:
de oude heer Johan, zijn zoon Hubrecht,
zwager Gijsbert en nog drie aanverwanten.

Op tafel het dichtbeschreven perkament
waarin afspraken tussen heer en nieuwe stad
nauwgezet zijn vastgelegd, een akte die thans
met zes gloeiende lakzegels wordt bezegeld.

Dan is er wijn, hompen brood en walnoten,
tegen de kille tocht slaat men dekens om,
de kelken gaan rond, het vuur knappert,
ten langen leste worden ze er doezelig van.

Een mooie dag, denkt heer Johan in bed,
zowel voor hem als voor de kersverse stad,
zijn volgende gedachte voor hij in slaap valt
is een vroeg verlangen naar het voorjaar.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 64

Aan lezer dezes

Al ben ik voor jou waarschijnlijk
niet meer dan een glanzende passant, voor mij
ben jij de onzichtbaar aanwezige, zonder jou
zou ik me niet kunnen laten zien.

Voor jou zijn er duizend anderen, ik mis je
nooit als je er niet bent, maar koester de gedachte
dat je bestaat, hoe vaag wil je dat ik formuleer,
ik bedoel, op afstand, hou ik van je.

Een vreemde plicht dwingt me je te veroveren,
ik wil door jou begrepen worden, zo weet jij
dat mijn einde en begin steeds aan de Lek liggen
en dat ik in het echt niet tegen gapende blikken kan.

Jij hebt altijd een voorsprong, want ieder woord
dat ik aan mezelf of aan anderen wijd, wijd ik
in eerste aanzet natuurlijk vooral aan jou, jij begint
mij zelfs nog te lezen als ik al ten einde ben.

Een diffuus beeld van je draag ik met me mee,
het maakt niet uit op welke schoorsteenmantel
ik dat neerzet of ik voel me er thuis – gek is dat,
ik zou nu wel even je adem willen horen.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 63

Binnenplaats

Zo’n klein ornament
aan de achterkant van een gebouw,
je blik moet er toevallig op vallen,
wat is het, siersmeedwerk
ter verfraaiing van een uitbouw?

Gemaakt door iemand:
háár opa, zíjn vader, de lievelingsoom
van een eerste vriendje. Gesmeed
in nooit te achterhalen verhalen
– tot iemand ze verzint.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 62

Heel vroeg

Het is nog heel vroeg,
een zomermorgen aan de Lek

de witte abeel
staat in een oranje gloed
en het is stil

of misschien hoor je
heel in de verte
de klep van de eerste pont
over de veerstoep schrapen

langs de kop van de krib
drijven geknakte rietstengels,
het lijken wel letters die
geen woorden vormen

er staat zo vroeg
geen zuchtje wind,
in het hoge gras rondom je
dansen waterjuffers

geluidloos streelt
het boeggolfje van een krakeend
de groene oever

het ruikt naar watermunt,
een vleugje mest
en naar rivier

alles is helder,
het mysterie haast tastbaar,
verstrooi me nu maar.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 61

Iets te zeggen

Ik weet niet wat de uiterwaard
me wil vertellen, ik heb geen idee
wat de murmelende rivier me
toe te vertrouwen heeft.

Twee eenden penselen een plas
in tekens die ik niet herken,
aan de heldere hemel schrijft
een spreeuw een duister verhaal.

Een rij jichtige knotwilgen staat
slechts schijnbaar te zwijgen,
een windvlaag fluistert raadselen,
onverstaanbaar ruist het riet.

Ik begrijp niets, alleen dat dit alles
me iets te zeggen heeft,
iets wezenlijks,
iets van ver voor en ver na mij.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 2 reacties

Culemborgs stadsgedicht 60

Alle keren

Alle keren dat ik je heb opgezocht,
m’n zeeën aan twijfels met je deelde,
je m’n duisterheden heb opgebiecht.

Alle tijdloze seconden dat ik naast je
in de grote verte stond te turen, naar
iets kleins, een vermeende beweging.

Alle kongsi’s, valkuilen, roeiboten
waarin god me hoorde brommen maar
alleen jij me ook hebt horen vloeken.

Alle nooduren, alle geluksmomenten,
mijn jubelkreet toen ik hoog boven je
m’n eerste visarend in het vizier kreeg.

En altijd bleef je stoïcijns, al wist je me
het ongefundeerde gevoel te geven
dat je niet volslagen onverschillig bent.

Ach, als je toch eens terug kon praten,
ik zou van je woordenstroom drinken,
me aan je eeuwige wijsheid laven, Lek.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 59

Raad

Dit is wat je moet onthouden
voor als je het niet meer weet:
aan de Lek heb je een strandje
dat door het spoelende water
telkens weer onbetreden oogt

afhankelijk van het jaargetij
valt er altijd niets te beleven
al lijkt dat natuurlijk maar zo
want je reist er door de ruimte
van het landschap in je hoofd

je voelt er de wind in je gezicht
en zal er vogelvrije vogels zien
wilde bloemen pril of verwelkt
wolken die je bui aanvoelen
golven die je houvast bieden

want de onverstoorbare rivier
moet net als jij dag in dag uit
haar slinkende hoeveelheid zoet
naar verre zoute zeeën dragen
en doet dat enkel maar voor jou.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 58

Zo

We lopen over de dijk, na een lange
stilte zegt ze dat ze zoveel te zeggen heeft,
ze bedoelt dat ze ook dichter wil worden maar maar
niet tot schrijven komt, want hoe laat alles
zich in een vers vervatten, hoe of ik
bijvoorbeeld meestal begin?

Kijk om je heen, de uiterwaarden,
de wolkenvormen, die roeier die de rivier
keurig in twee deinende helften klieft, een rug die
zich van ons af beweegt of anders is er
nog altijd die zee van oneindigheid
die levenslang voor je ligt.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 57

Een duwtje

De veerstoep is weer eens goed geschrobd,
een vlot geraakte ton is zacht gestrand, de stroming
neemt af, oevers groeien weer naar elkaar toe,
het waterpeil is nu zichtbaar aan het dalen.

De wulpen landen weer in de waarden, de pont
is door geen snelstromende stronk geramd,
die goeie ouwe Lek gaf ons, mak landvolk, argeloze
oeverwalbewoners, deze week een duwtje.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 56

Regulieren

Twee populieren hebben gezamenlijk
uit onverstoorbare onbaatzuchtigheid
tijdens een van de laatste voorjaarsstormen
een oude eik opgevangen en deze aldus
voor noodlottig omwaaien behoed.

De gebeurtenis heeft z’n sporen nagelaten,
de eik leeft nog, zij het ternauwernood,
als je goed kijkt zie je ’m nog nahijgen
in de sterke armen van z’n redders.

Uit de stam ontspruiten jonge loten,
op de half uit de grond gekiepte wortelkluit
heeft een roodborst haar nest gebouwd,
in de ontstane poel kwaakt een kikker.

Te midden van het nu niet verpletterde
look-zonder-look fladdert een oranjetipje,
door het verse gat in het kruinendak is
in het tegenlicht van de opkomende zon
het silhouet van een buizerd te zien.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 55

Zonsondergang aan de rivier

Nadat de koperen ploert met stil spektakel
achter de Utrechtse heuvelrug gezonken was,
renden we zo hard we konden de dijk weer op
om hem daar nog een keer onder te zien gaan,
mooi! (alleen zag ik in de gloed een ander).

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 54

Mouches volantes

We lopen weer eens ergens
tussen de gekoesterde Lek en Linge
en het gesprek is gestokt.

Ik zeg: het is begonnen, er dansen
bruine vlekken in m’n linkeroog
en het is al een week.

De twijfels die ik met je deel
zijn van al m’n twijfels
de uitgekristalliseerde.

Ik kan je nog niet zeggen
wat ik in mijn hoofd
al onvast aan het schrijven ben.

Dat heel die broze openheid van mij
voor ons misschien wel
niets meer te betekenen heeft.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 53

Alleen hier

Alleen hier
word ik altijd weer jonger:

een windstille middag
in de weeshuistuin

het rondje park en dreven
op een zomeravond

de oranje morgen
in de armenboomgaard

langs de kale bomen
aan de smalle Achterweg

alleen maar hier:
een seconde, een minuut, soms een uur.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 52

Goilberdingerwaard

Pas na de grasmusseninvasie
verloor ik dit jaar m’n somberheid.

Ik zat op m’n vaste limietpaal en dronk
met grote teugen
van al het gefladder en gezang.

Hoe was het in Senegal, jongens?

Om zo weer deelgenoot te worden
van het grotere geheel – alleen al dat
is helend.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen