Culemborgs stadsgedicht 32

Diep in de uiterwaard

De hart onder de riem stekende fierheid
die van riet in de winter uitgaat: we zijn
niet dood, alle smientjes mogen gewoon
tussen onze stengels dóór waggelen, dát.

Iets triomfantelijks in het scherpe gegak
van in v-formatie overvliegende ganzen:
wíj weten waar we naartoe koersen, wij
bezitten wél een klaar innerlijk kompas.

Het ingesloten bevestigende van een bui:
vandaag val ik, maar morgen verdamp ik,
ik maak deel uit van die cyclus die groter
is dan ik; mijn gestaagheid mijn berusten.

 

Dit bericht werd geplaatst in Culemborgse stadsgedichten. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s