Culemborgs stadsgedicht 77

Rivierenlandkroniek 12

(onder de Amerongse Berg)

‘Zodra de maan een gat in de hemel is,
gaan we de rivier over en die berg op.’

Aan de vooravond van weerzien dacht je
ons dit pad, er zongen hemelmeesjes mee
over de lijn, ‘zadel de paarden,’ taterde ik.

Maar het werd een keuze te laat, wijzer
was het geweest opnieuw te leren lopen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 76

Rivierenlandkroniek 11

(tot aan het Randmeer)

Het gebeurde in Spakenburg, uitgerekend daar
waar het zoute water zoet is geworden.

Ik staar over de binnenzee en proef eindelijk
het zout. Geen schip ligt er achter mij

op de helling of het draagt wel jouw naam.
In een moment te mooi om waar te zijn

ben ik bij één zo’n schuit aan boord gegaan,
er geruisloos mee de haven uit

en er langzaam, windstiltes trotserend,
de oude zee mee opgegaan.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 75

Rivierenlandkroniek 10

(rond de ruïne van Hemmen)

Was het spelenderwijs dat je achter je rug
de zomer voor me verborg en nooit vergat
te lispen dat je van me zou blijven houden
tot de laatste Mohikaan het spoor verloor?

Was dat knijp-maar-in-m’n-arm-echt-waar
of de zelf geslepen lachspiegel eerste klas
van de ander die tot voor kort de ene was?

Fladder maar verder, maar weet je beloftes
voortaan waar te maken, niet al te verstrikt
in je indianenverhalen te raken, dát beloven
is het laatste wat je nog voor mij kunt doen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 74

Rivierenlandkroniek 9

(achter Varik)

Een paar haastig
gesproken woorden
markeren de plek
waar je net nog was.

Tot de winter het
niet meer wil horen
zie ik het ijlings
later worden.

Nog een seconde
lang vastgevroren
dan verstillend
in de koude lucht.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 73

Rivierenlandkroniek 8

(in Est)

En onverwacht
in een oogopslag een ogenblik
van afscheid.

Als voorbode
van taal was je lichaam je stem
te snel af.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 72

Rivierenlandkroniek 7

(over de Diefdijk)

Ik schets geen portret dat maar verjaart
maar ets een stilleven van slaap, hoe jij
verstoppertje in dagdromen speelt en ik
nog passen tot voorbij de horizon meet,
wijl alleen het landschap voortbeweegt.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 71

Rivierenlandkroniek 6

(naar Maurik)

Zullen we naar de bronnen van de Amazone roeien
of peddelen we deze kreek uit en via de vaart terug
over de plas richting die kerktoren aan de horizon?

Krijgen we nog meer warme dagen en zal er steeds
een baken zijn? Nu lopen we nog over water, maar
op een dag blijkt alles opeens dichtgevroren te zijn.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 70

Rivierenlandkroniek 5

(op de Linge)

Het liefst vertelde ik je zoveel mogelijk
zomaar, als sprak ik hardop in m’n slaap,
dan werd de pakkans van mijn woorden
minder gering – was elke uitspraak raak.

Ik zou gewoon een taal hebben genomen
en alles noemen naar het leek, woord na
woord had ik recht in de roos geschoten,
achteloos, steeds als je net even niet keek.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 69

Rivierenlandkroniek 4

(langs de Lek)

Het is de tíjd m’n lief
die loopjes met ons neemt.
Wanneer staan er met Pasen al
pinksterbloemen in de uiterwaard?

En het is de rivier wier
water ons wil laten geloven
dat alles voor ons van nu af aan
vanzelf tot aan wereldzeeën zal gaan.

En ook die dijk ligt daar
louter opdat we vertrouwen
opgewassen te zijn. En waarom
anders drijven er wolken overheen

dan om dat grote beeld
van eindelijk beland te zijn
in een lente samen langs de Lek
echt tot in de puntjes te vervolmaken?

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 68

Rivierenlandkroniek 3

(vanaf Vianen)

Het was in die tijd waarin we
nog hele dagen konden lopen
door knarpend kweldergras in
kraakheldere vrieskou dat we
lachten om een onzinnaam en
jij toen, maar ik tegelijkertijd,
dat we met één tere beweging
een verre toekomst bepaalden.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 67

Rivierenlandkroniek 2

(door Mariënwaard)

Je kwam van alle windstreken.

Sloeg golven in de sloot, voren in het erf.
Bolde de was, geselde de heg, brak de es
en joeg jezelf in mijn armen.

Veroverde met stormende gebaren, blies
speels het stof van mijn verhalen en loog
met het gemak van de waarheid.

Je wierp me tegen de wereld in de meest
zijdelingse zucht. Tussen de rivieren lag
in de luwte nog het land.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 66

Rivierenlandkroniek 1

(Voortijd: het Korte Avontuur)

Aan de rand van het dorp
ligt een land met de naam
Korte Avontuur.

Wat valt hier te beleven?
Je kan op blote kakhielen
door nattig gras,

je bestudeert bijvoorbeeld
een koeienplak of je pluist
wat windzaden uit.

Er houdt zich een odyssee
schuil in alles waarvoor je
open weet te staan.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 65

Int jaer ons Heren
dusent driehondert Ende achtiene
up Sente Nycolaus dach

Na een heldere sterrennacht is er
een loodgrijze ochtend aangebroken,
bij Weithusen blaast de straffe oostenwind
de horigen bijkans van het kale land.

Twee tandeloze toeschouwers
slaan de schuimkoppen op de zwarte Lek
met spanning gade, eerder onheil is
een schrijnende herinnering.

Op de grote marktplaats van het dorp
is het intussen ook al woelig geworden,
kramen kraken, een zeildoek klappert,
kooplieden bekvechten om de beste plek.

Want bij een processie hoort ook handel,
niemand trouwens die al heeft bedacht
dat dit koude weer volmaakt bij de verering
van zeevaarders’ schutspatroon past.

Er is vis en vee en graan en boter,
vroege kopers monsteren en bekloppen,
kneden en ruiken zoals de ook aanwezige
kwakzalver z’n zieken en gekwelden keurt.

Damp walmt van een stel knechten
die in de harde aarde gaten staan te bikken
voor de wapenschilden van de hoge heren
die vanavond in de burcht bijeen gaan komen.

Steeds meer volk heeft zich intussen
op de markt vergaard, de dag is nog grijs maar
de wind is wat gaan luwen en voert nu
vanuit het slot een ijl en vroom gezang aan.

De omgang wordt door acht acolieten ingezet,
daarna komen er drie dorpskinderen die
gezamenlijk het kleine ijzeren anker torsen
waarmee de beschermheilige wordt vereerd.

Dan volgt de priester in prachtig paars habijt
en verschijnen er leken met luit en vedel,
tot slot van de stoet draagt een schildknaap
het vaandel van de heren van Bosinchem.

Als aan al het moois een einde is gekomen,
het volk in warme huizen is weergekeerd,
de kooplui hun restanten hebben opgedoekt,
zetten zes heren zich om een ronde tafel.

De ridderzaal is eindelijk warm geworden,
zie ze zitten in de gloed van het haardvuur:
de oude heer Johan, zijn zoon Hubrecht,
zwager Gijsbert en nog drie aanverwanten.

Op tafel het dichtbeschreven perkament
waarin afspraken tussen heer en nieuwe stad
nauwgezet zijn vastgelegd, een akte die thans
met zes gloeiende lakzegels wordt bezegeld.

Dan is er wijn, hompen brood en walnoten,
tegen de kille tocht slaat men dekens om,
de kelken gaan rond, het vuur knappert,
ten langen leste worden ze er doezelig van.

Een mooie dag, denkt heer Johan in bed,
zowel voor hem als voor de kersverse stad,
zijn volgende gedachte voor hij in slaap valt
is een vroeg verlangen naar het voorjaar.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 64

Aan lezer dezes

Al ben ik voor jou waarschijnlijk
niet meer dan een glanzende passant, voor mij
ben jij de onzichtbaar aanwezige, zonder jou
zou ik me niet kunnen laten zien.

Voor jou zijn er duizend anderen, ik mis je
nooit als je er niet bent, maar koester de gedachte
dat je bestaat, hoe vaag wil je dat ik formuleer,
ik bedoel, op afstand, hou ik van je.

Een vreemde plicht dwingt me je te veroveren,
ik wil door jou begrepen worden, zo weet jij
dat mijn einde en begin steeds aan de Lek liggen
en dat ik in het echt niet tegen gapende blikken kan.

Jij hebt altijd een voorsprong, want ieder woord
dat ik aan mezelf of aan anderen wijd, wijd ik
in eerste aanzet natuurlijk vooral aan jou, jij begint
mij zelfs nog te lezen als ik al ten einde ben.

Een diffuus beeld van je draag ik met me mee,
het maakt niet uit op welke schoorsteenmantel
ik dat neerzet of ik voel me er thuis – gek is dat,
ik zou nu wel even je adem willen horen.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 63

Binnenplaats

Zo’n klein ornament
aan de achterkant van een gebouw,
je blik moet er toevallig op vallen,
wat is het, siersmeedwerk
ter verfraaiing van een uitbouw?

Gemaakt door iemand:
háár opa, zíjn vader, de lievelingsoom
van een eerste vriendje. Gesmeed
in nooit te achterhalen verhalen
– tot iemand ze verzint.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen