Culemborgs stadsgedicht 72

Rivierenlandkroniek 7

(over de Diefdijk)

Ik schets geen portret dat maar verjaart
maar ets een stilleven van slaap, hoe jij
verstoppertje in dagdromen speelt en ik
nog passen tot voorbij de horizon meet,
wijl alleen het landschap voortbeweegt.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 71

Rivierenlandkroniek 6

(naar Maurik)

Zullen we naar de bronnen van de Amazone roeien
of peddelen we deze kreek uit en via de vaart terug
over de plas richting die kerktoren aan de horizon?

Krijgen we nog meer warme dagen en zal er steeds
een baken zijn? Nu lopen we nog over water, maar
op een dag blijkt alles opeens dichtgevroren te zijn.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 70

Rivierenlandkroniek 5

(op de Linge)

Het liefst vertelde ik je zoveel mogelijk
zomaar, als sprak ik hardop in m’n slaap,
dan werd de pakkans van mijn woorden
minder gering – was elke uitspraak raak.

Ik zou gewoon een taal hebben genomen
en alles noemen naar het leek, woord na
woord had ik recht in de roos geschoten,
achteloos, steeds als je net even niet keek.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 69

Rivierenlandkroniek 4

(langs de Lek)

Het is de tíjd m’n lief
die loopjes met ons neemt.
Wanneer staan er met Pasen al
pinksterbloemen in de uiterwaard?

En het is de rivier wier
water ons wil laten geloven
dat alles voor ons van nu af aan
vanzelf tot aan wereldzeeën zal gaan.

En ook die dijk ligt daar
louter opdat we vertrouwen
opgewassen te zijn. En waarom
anders drijven er wolken overheen

dan om dat grote beeld
van eindelijk beland te zijn
in een lente samen langs de Lek
echt tot in de puntjes te vervolmaken?

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 68

Rivierenlandkroniek 3

(vanaf Vianen)

Het was in die tijd waarin we
nog hele dagen konden lopen
door knarpend kweldergras in
kraakheldere vrieskou dat we
lachten om een onzinnaam en
jij toen, maar ik tegelijkertijd,
dat we met één tere beweging
een verre toekomst bepaalden.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 67

Rivierenlandkroniek 2

(door Mariënwaard)

Je kwam van alle windstreken.

Sloeg golven in de sloot, voren in het erf.
Bolde de was, geselde de heg, brak de es
en joeg jezelf in mijn armen.

Veroverde met stormende gebaren, blies
speels het stof van mijn verhalen en loog
met het gemak van de waarheid.

Je wierp me tegen de wereld in de meest
zijdelingse zucht. Tussen de rivieren lag
in de luwte nog het land.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 66

Rivierenlandkroniek 1

(Voortijd: het Korte Avontuur)

Aan de rand van het dorp
ligt een land met de naam
Korte Avontuur.

Wat valt hier te beleven?
Je kan op blote kakhielen
door nattig gras,

je bestudeert bijvoorbeeld
een koeienplak of je pluist
wat windzaden uit.

Er houdt zich een odyssee
schuil in alles waarvoor je
open weet te staan.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 65

Int jaer ons Heren
dusent driehondert Ende achtiene
up Sente Nycolaus dach

Na een heldere sterrennacht is er
een loodgrijze ochtend aangebroken,
bij Weithusen blaast de straffe oostenwind
de horigen bijkans van het kale land.

Twee tandeloze toeschouwers
slaan de schuimkoppen op de zwarte Lek
met spanning gade, eerder onheil is
een schrijnende herinnering.

Op de grote marktplaats van het dorp
is het intussen ook al woelig geworden,
kramen kraken, een zeildoek klappert,
kooplieden bekvechten om de beste plek.

Want bij een processie hoort ook handel,
niemand trouwens die al heeft bedacht
dat dit koude weer volmaakt bij de verering
van zeevaarders’ schutspatroon past.

Er is vis en vee en graan en boter,
vroege kopers monsteren en bekloppen,
kneden en ruiken zoals de ook aanwezige
kwakzalver z’n zieken en gekwelden keurt.

Damp walmt van een stel knechten
die in de harde aarde gaten staan te bikken
voor de wapenschilden van de hoge heren
die vanavond in de burcht bijeen gaan komen.

Steeds meer volk heeft zich intussen
op de markt vergaard, de dag is nog grijs maar
de wind is wat gaan luwen en voert nu
vanuit het slot een ijl en vroom gezang aan.

De omgang wordt door acht acolieten ingezet,
daarna komen er drie dorpskinderen die
gezamenlijk het kleine ijzeren anker torsen
waarmee de beschermheilige wordt vereerd.

Dan volgt de priester in prachtig paars habijt
en verschijnen er leken met luit en vedel,
tot slot van de stoet draagt een schildknaap
het vaandel van de heren van Bosinchem.

Als aan al het moois een einde is gekomen,
het volk in warme huizen is weergekeerd,
de kooplui hun restanten hebben opgedoekt,
zetten zes heren zich om een ronde tafel.

De ridderzaal is eindelijk warm geworden,
zie ze zitten in de gloed van het haardvuur:
de oude heer Johan, zijn zoon Hubrecht,
zwager Gijsbert en nog drie aanverwanten.

Op tafel het dichtbeschreven perkament
waarin afspraken tussen heer en nieuwe stad
nauwgezet zijn vastgelegd, een akte die thans
met zes gloeiende lakzegels wordt bezegeld.

Dan is er wijn, hompen brood en walnoten,
tegen de kille tocht slaat men dekens om,
de kelken gaan rond, het vuur knappert,
ten langen leste worden ze er doezelig van.

Een mooie dag, denkt heer Johan in bed,
zowel voor hem als voor de kersverse stad,
zijn volgende gedachte voor hij in slaap valt
is een vroeg verlangen naar het voorjaar.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 64

Aan lezer dezes

Al ben ik voor jou waarschijnlijk
niet meer dan een glanzende passant, voor mij
ben jij de onzichtbaar aanwezige, zonder jou
zou ik me niet kunnen laten zien.

Voor jou zijn er duizend anderen, ik mis je
nooit als je er niet bent, maar koester de gedachte
dat je bestaat, hoe vaag wil je dat ik formuleer,
ik bedoel, op afstand, hou ik van je.

Een vreemde plicht dwingt me je te veroveren,
ik wil door jou begrepen worden, zo weet jij
dat mijn einde en begin steeds aan de Lek liggen
en dat ik in het echt niet tegen gapende blikken kan.

Jij hebt altijd een voorsprong, want ieder woord
dat ik aan mezelf of aan anderen wijd, wijd ik
in eerste aanzet natuurlijk vooral aan jou, jij begint
mij zelfs nog te lezen als ik al ten einde ben.

Een diffuus beeld van je draag ik met me mee,
het maakt niet uit op welke schoorsteenmantel
ik dat neerzet of ik voel me er thuis – gek is dat,
ik zou nu wel even je adem willen horen.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 63

Binnenplaats

Zo’n klein ornament
aan de achterkant van een gebouw,
je blik moet er toevallig op vallen,
wat is het, siersmeedwerk
ter verfraaiing van een uitbouw?

Gemaakt door iemand:
háár opa, zíjn vader, de lievelingsoom
van een eerste vriendje. Gesmeed
in nooit te achterhalen verhalen
– tot iemand ze verzint.

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 62

Heel vroeg

Het is nog heel vroeg,
een zomermorgen aan de Lek

de witte abeel
staat in een oranje gloed
en het is stil

of misschien hoor je
heel in de verte
de klep van de eerste pont
over de veerstoep schrapen

langs de kop van de krib
drijven geknakte rietstengels,
het lijken wel letters die
geen woorden vormen

er staat zo vroeg
geen zuchtje wind,
in het hoge gras rondom je
dansen waterjuffers

geluidloos streelt
het boeggolfje van een krakeend
de groene oever

het ruikt naar watermunt,
een vleugje mest
en naar rivier

alles is helder,
het mysterie haast tastbaar,
verstrooi me nu maar.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 61

Iets te zeggen

Ik weet niet wat de uiterwaard
me wil vertellen, ik heb geen idee
wat de murmelende rivier me
toe te vertrouwen heeft.

Twee eenden penselen een plas
in tekens die ik niet herken,
aan de heldere hemel schrijft
een spreeuw een duister verhaal.

Een rij jichtige knotwilgen staat
slechts schijnbaar te zwijgen,
een windvlaag fluistert raadselen,
onverstaanbaar ruist het riet.

Ik begrijp niets, alleen dat dit alles
me iets te zeggen heeft,
iets wezenlijks,
iets van ver voor en ver na mij.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | 2 reacties

Culemborgs stadsgedicht 60

Alle keren

Alle keren dat ik je heb opgezocht,
m’n zeeën aan twijfels met je deelde,
je m’n duisterheden heb opgebiecht.

Alle tijdloze seconden dat ik naast je
in de grote verte stond te turen, naar
iets kleins, een vermeende beweging.

Alle kongsi’s, valkuilen, roeiboten
waarin god me hoorde brommen maar
alleen jij me ook hebt horen vloeken.

Alle nooduren, alle geluksmomenten,
mijn jubelkreet toen ik hoog boven je
m’n eerste visarend in het vizier kreeg.

En altijd bleef je stoïcijns, al wist je me
het ongefundeerde gevoel te geven
dat je niet volslagen onverschillig bent.

Ach, als je toch eens terug kon praten,
ik zou van je woordenstroom drinken,
me aan je eeuwige wijsheid laven, Lek.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 59

Raad

Dit is wat je moet onthouden
voor als je het niet meer weet:
aan de Lek heb je een strandje
dat door het spoelende water
telkens weer onbetreden oogt

afhankelijk van het jaargetij
valt er altijd niets te beleven
al lijkt dat natuurlijk maar zo
want je reist er door de ruimte
van het landschap in je hoofd

je voelt er de wind in je gezicht
en zal er vogelvrije vogels zien
wilde bloemen pril of verwelkt
wolken die je bui aanvoelen
golven die je houvast bieden

want de onverstoorbare rivier
moet net als jij dag in dag uit
haar slinkende hoeveelheid zoet
naar verre zoute zeeën dragen
en doet dat enkel maar voor jou.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 58

Zo

We lopen over de dijk, na een lange
stilte zegt ze dat ze zoveel te zeggen heeft,
ze bedoelt dat ze ook dichter wil worden maar maar
niet tot schrijven komt, want hoe laat alles
zich in een vers vervatten, hoe of ik
bijvoorbeeld meestal begin?

Kijk om je heen, de uiterwaarden,
de wolkenvormen, die roeier die de rivier
keurig in twee deinende helften klieft, een rug die
zich van ons af beweegt of anders is er
nog altijd die zee van oneindigheid
die levenslang voor je ligt.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen