Culemborgs stadsgedicht 57

Een duwtje

De veerstoep is weer eens goed geschrobd,
een vlot geraakte ton is zacht gestrand, de stroming
neemt af, oevers groeien weer naar elkaar toe,
het waterpeil is nu zichtbaar aan het dalen.

De wulpen landen weer in de waarden, de pont
is door geen snelstromende stronk geramd,
die goeie ouwe Lek gaf ons, mak landvolk, argeloze
oeverwalbewoners, deze week een duwtje.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 56

Regulieren

Twee populieren hebben gezamenlijk
uit onverstoorbare onbaatzuchtigheid
tijdens een van de laatste voorjaarsstormen
een oude eik opgevangen en deze aldus
voor noodlottig omwaaien behoed.

De gebeurtenis heeft z’n sporen nagelaten,
de eik leeft nog, zij het ternauwernood,
als je goed kijkt zie je ’m nog nahijgen
in de sterke armen van z’n redders.

Uit de stam ontspruiten jonge loten,
op de half uit de grond gekiepte wortelkluit
heeft een roodborst haar nest gebouwd,
in de ontstane poel kwaakt een kikker.

Te midden van het nu niet verpletterde
look-zonder-look fladdert een oranjetipje,
door het verse gat in het kruinendak is
in het tegenlicht van de opkomende zon
het silhouet van een buizerd te zien.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 55

Zonsondergang aan de rivier

Nadat de koperen ploert met stil spektakel
achter de Utrechtse heuvelrug gezonken was,
renden we zo hard we konden de dijk weer op
om hem daar nog een keer onder te zien gaan,
mooi! (alleen zag ik in de gloed een ander).

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 54

Mouches volantes

We lopen weer eens ergens
tussen de gekoesterde Lek en Linge
en het gesprek is gestokt.

Ik zeg: het is begonnen, er dansen
bruine vlekken in m’n linkeroog
en het is al een week.

De twijfels die ik met je deel
zijn van al m’n twijfels
de uitgekristalliseerde.

Ik kan je nog niet zeggen
wat ik in mijn hoofd
al onvast aan het schrijven ben.

Dat heel die broze openheid van mij
voor ons misschien wel
niets meer te betekenen heeft.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 53

Alleen hier

Alleen hier
word ik altijd weer jonger:

een windstille middag
in de weeshuistuin

het rondje park en dreven
op een zomeravond

de oranje morgen
in de armenboomgaard

langs de kale bomen
aan de smalle Achterweg

alleen maar hier:
een seconde, een minuut, soms een uur.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 52

Goilberdingerwaard

Pas na de grasmusseninvasie
verloor ik dit jaar m’n somberheid.

Ik zat op m’n vaste limietpaal en dronk
met grote teugen
van al het gefladder en gezang.

Hoe was het in Senegal, jongens?

Om zo weer deelgenoot te worden
van het grotere geheel – alleen al dat
is helend.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 51

Koude

Opnieuw de koude in, rondje gefietst
naar waar de Lek nog anders heet,
m’n besluit nog eens overdacht.

Ik besef nu hoe het is om stil te staan,
de dagen die op elkaar gaan lijken,
vandaag tot aan Lienden gegaan.

Hoe moedeloosheid mooier te maken?
Door erover te schrijven, de rivier
houdt ook van bedrukte verzen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 50

Dijkversterking

Ik bel iemand op
om te zeggen dat ik stop

wat een besluit lijkt
is me vooral overkomen

het is grauw weer
morgen is de laatste keer

ik zoek m’n heil
in vijf sterkende disticha

ontlopend ontstaan
op de onverzettelijke dijk.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 49

Plantage

In het park, een zomerdag, boy meets girl,
in innig gesprek op een bankje,
het oudste verhaal
en de hele wereld eromheen die doordraait.

Ik kan slechts denken: doe wat ik te vaak
naliet: betover, verover, sla je
arm om haar heen,
doe het nu, vóór het je leven lang te laat is.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 48

Bij een spoorbrug

Je kunt er de klok op gelijk zetten:
het geraas van de dienstregeling
verkavelt de dagen in klare delen:
eerst Mason die z’n motor start,
Bouman die aan het bakken gaat,
de markt die stilaan bevolkt raakt.

Weldra gaan de terrassen gonzen,
de boules klikken, weerklinken er
fietsbellen onder de Binnenpoort
en wordt met menig kennersblik
de bruid op het bordes beschouwd:
die jurk is te lang/te kort/te stout!

Inmiddels vaart het goeiige veer
z’n lome middagvaart, draait traag
de slechtvalk z’n rondjes erboven,
meren er passanten in de haven af
en koersen schilders op één doel:
drank en avondrood op het Spoel.

Dan sluiten winkels en weeshuis,
verschijnen er renners op de dijk,
stijgt er uit het theater een lach op,
lijkt de Lek stil en luidt ten slotte
de papklok, komt er een einde aan
de vaste stonden van een vrijstad.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 47

Ia

Hoe vaak je een kijker niet
op hetzelfde – maar onbedoelde
doel richt: een bedrieglijk silhouet,
wéér die beloftevolle stip aan de oever.

Een vaste vergissing raakt vertrouwd,
zo ben ik – ezel aan de Lek –
enigszins gesteld geraakt
op een scheefstaand blauw-wit paaltje.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 46

Betuwe Blues

De machtigste is een waanzinnige,
onze wereld wordt ons
eerdaags te heet onder de voeten,
maar ik moet een kaasschaaf kopen
(geruststellend denken is het devies:
het leven is niet ingewikkeld,
het bestaat uit de dood, de liefde
en alle verhalen daarover).

Dus ik ging die kaasschaaf kopen,
every man has a plan, until he gets hit
zei een bokser – en het was wat
ik dacht in de binnenstad;
het jaarlijkse bluesfestival was er
in volle gang, in de drukte
toog ik naar de Blokker, naar de Hema,
maar nergens een kaasschaaf.

Iemand morste bier over m’n borst,
weer terug bij m’n fiets
bleek die te zijn gestolen,
dat betekende een lift of lopen…
het werd lopen, het ging regenen
en eindelijk thuis (zonder kaasschaaf),
moest ik toen ook nog eens
keepin’ on tryin’ not to miss you.

 

Noot: de geciteerde bokser is Mike Tyson.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 45

Rop licht toe

Het is klooien,
het is schetsen en gommen,
breien en weer uithalen,
raak is toeval.

Het is tegelijkertijd
ergens naartoe, een streek
en nog een streek,
hier een pieletje, daar een schaduw.

Ik bedoel je bedoelt iets:
zo’n beeld moet een omgeving
zoals een schilderij een muur,
het is een totaalcreatie.

Het is goed loeren,
wachten wat het doek voorstelt,
tot het af is is het
een laboratoriumsituatie.

Het is steeds weer
de Van Goghs omzeilen,
het is een halve eeuw
bij dat paard van Marini verwijlen.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 44

Terug

De sneeuwval van vannacht
heeft de dreven doof gemaakt,
het gesnater van de eenden
van ver een dof geplof.

En kleurenblind,
deze ochtend is zwart-wit,
stammen als potloodstrepen,
de kruinen een craquelé in grijs.

Ik schuifel en slip,
blader intussen door m’n brein,
maar vind een gedachtespoor
niet meer terug.

Het gaat zachtjes sneeuwen,
de stilte is dekens dik,
het zicht bijna nul,
in het niets weet ik het weer.

Je leefde nog, je was jarig,
ik was het een beetje,
je wreef met een wijsvinger
soep uit m’n kinderogen.

Alles was anders,
een snikhete julimiddag,
hoe kwam ik daar?
hoe kom ik van hier naar daar?

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen

Culemborgs stadsgedicht 43

Nieuwe weerwoorden

Het is ongeveer
als de razende trein die het gegak
van ganzen overstemt, de om patat
bedelende reigers in het stadspark,
de antithese ‘rustgebied voor het wild’
of die bever die in de Lek
een zwemmer zou hebben gebeten
wanneer je zegt dat je me
echt wel heel lief vindt
maar niet van me kunt houden.

 

Geplaatst in Culemborgse stadsgedichten | Een reactie plaatsen